De partijdigheid van de JZW-er blootgelegd

Als ervaringsdeskundige ten aanzien van het falen van de Jeugdzorg in Nederland word ik regelmatig gebeld en gemaild door mensen die ten einde raad zijn. Zo kwam ik begin dit jaar in contact met een moeder bij wie de twee kinderen met medewerking van JBB weggehouden zijn bij hun moeder.

Aan de telefoon gaf ze aan dat een zekere L.M. haar jeugdzorgwerker was. Toevalligerwijs ook mijn JZW-er, en mijn interesse was direct gewekt. Ik heb voor enkele dagen later een afspraak gemaakt. Het gesprek met deze moeder leverde mij een hele middag niet alleen maar deja vu gevoelens op maar ook een grote rij van trieste herkenningen. Ik heb haar verhaal aangehoord wat ze gelijktijdig onderbouwde met duidelijke  bewijzen.

“Bovendien heb ik zelf(bijzonder curator)ervaren dat de voogd(L. M.) die hierbij betrokken was teveel in het kamp van vader is gezogen.”

Dit is ook gelijk mijn werkwijze. Ik wil elk verhaal aanhoren maar pel vervolgens de emotionele schil van het conflict er van af om zo tot de kern van het verhaal te komen en me te richten op de feiten. En die feiten moeten met bewijzen onderbouwd kunnen worden. Ik neem niets zomaar aan en zal geen enkele mening als feit vastleggen als het niet is aangetoond. Als een JZW-er iets stelt in het dossier dan wil ik daarvan ook de bewijzen zien danwel het tegenbewijs ter ondersteuning van de ontkenning. Daarnaast wil ik de vrijheid hebben die bewijzen op echtheid te kunnen toetsen. De adviezen die ik vervolgens geef zijn gericht op wat het in het belang is van de kinderen en de betreffende ouder(s). Een werkwijze waar ik wel eens van denk: dat zouden de jeugdzorgwerkers ook eens moeten doen. En alles wat niet met bewijzen onderbouwd wordt direct opzij leggen en die ouder schriftelijk manen alleen nog maar met feiten te komen. Maar helaas is dat voor de gemiddelde jeugdzorgwerker te hoog gegrepen.

In het kamp van vader gezogen

Terug naar het dossier. Ik heb het volledige dossier in de afgelopen periode bestudeerd en kwam hier een aantal opvallende zaken tegen. Ondertussen heb ik de moeder bijgestaan in de opstart van de nodige procedures tegen de GI.

De betreffende moeder had een lang en zeer vervelend traject met de JZW-er L. M. Er is zelfs extern vastgesteld dat er getwijfeld mag worden aan de neutraliteit van de JZW-er. De bijzonder curator(BC), die door de rechtbank was aangewezen voor dit dossier, stelde in haar rapport aan de rechtbank vast: “Bovendien heb ik zelf(bijzonder curator)ervaren dat de voogd(L. M.) die hierbij betrokken was teveel in het kamp van vader is gezogen.”

Jezelf als JZW-er dan op gelijke hoogte zetten met een NIP geregistreerde psycholoog toont een zeer grote hoogmoedswaanzin.

Ik zal het volgende voorbeeld hierbij geven: in de aanvangsfase van dit dossier heeft  de vader aan de JZW-er L. M.  de wens uitgesproken dat de kinderen naar hem zouden moeten komen en dat zij daar hoofdverblijfplaats zouden moeten krijgen.  Zonder duidelijke aanleiding is de JZW-er het spoor van vader gevolgd. Zij neemt contact op met de advocaat van vader, om gezamenlijk het verzoekschrift voor te bereiden.  Op basis van de aanwezige correspondentie is direct duidelijk dat de JZW-er inderdaad niet neutraal is. Zij stelt de argumenten voor deze UHP op voor de advocaat van vader. Vervolgens adviseert ze  de advocaat van vader om het verzoek zelf in te dienen omdat dat ‘veiliger’ is: dit geeft meer kans van slagen en JBB zou achterover kunnen leunen.

Een ander opvallend punt in dit dossier is onder andere  een RITAX waarin wordt gesteld dat moeder aan borderline zou lijden. Deze conclusie wordt zonder brondocument en verder onderzoek door L.M. vastgelegd in het dossier en komt telkens weer terug.  Moeder is nimmer gediagnosticeerd als borderlinde patiënt. Het blijkt de mening van vader te zijn die door L.M. als feit is vastgelegd. Het is voor moeder een zeer lastig punt: telkens wordt ze geconfronteerd met deze diagnose die niet gesteld is en haar op achterstand zet in haar strijd om haar kinderen en rechten. Hiermee is duidelijk dat de wettelijk verplichte waarheidsvinding bij L.M., en daarmee bij JBB, niet nageleefd wordt. Het zou JBB sieren als zij per direct deze diagnose zouden verwijderen en daarna het complete dossier opnieuw  laten beoordelen door een externe professional met de vraag of, zonder deze onterechte diagnose van borderline, de juiste beslissingen genomen zouden zijn.

Een goede JZW-er laat de conclusies over aan de professionals en gaat aan de slag met de adviezen in plaats van zelf als amateurpsycholoog te gaan spelen.

In het zelfde rapport van de BC, die overigens een psychologische achtergrond heeft met kennis van OVS, wordt gesteld: “Het is niet direct in het belang van de kinderen dat zij de vaste verblijfplaats bij de vader krijgen.”  Elders stelde de BC ook vast dat “vader niet in staat was om weerwoord te bieden aan de kinderen en op één lijn te gaan zitten met de moeder. Hierdoor was duidelijk dat de kinderen de vader emotioneel chanteerden (en andersom) en  de dienst uitmaakten. “

Dergelijke conclusies tonen aan dat er bij vader geen stabiele en goede basis is voor een gezonde opvoeding met een vast verblijf en een bron voor OVS. De rechter neemt het rapport over en beveelt uitvoering te geven aan het rapport. De rechter geeft daarbij aan dat er onderzoek moet komen naar OVS. Desondanks blijft L.M. vast houden aan de ingezette lijn dat de kinderen naar vader moeten. Met het rapport van de BC gebeurt niets. De conclusies van de BC worden weggestreept tegen de bevindingen van L.M. om zo de eigen mening en beleidslijn te vergoelijken en te blijven volgen. Hiermee plaatst L.M. zich op gelijke hoogte met de BC qua positie, qua kennis en expertise. De BC is een  NIP geregistreerde psycholoog terwijl L.M. niet meer en minder is dan een JZW-er zonder verder aantoonbare kwalificaties. Jezelf dan op gelijke hoogte zetten met een geregistreerde psycholoog toont een zeer grote hoogmoedswaanzin met kennelijk als enig doel: je eigen zin doordrijven. Een goede JZW-er laat de conclusies over aan de professionals en gaat aan de slag met de adviezen in plaats van zelf als amateurpsycholoog te gaan spelen.

De zogenaamd verzonden brief

Een ander opvallend punt in dit dossier is een al dan niet verzonden brief door L.M. aan de rechtbank. Er is een zitting geweest waarin een rapport van een externe deskundige besproken is en waarvan de rechter van mening was dat hier wat mee diende te gebeuren.  Op enig moment vraagt moeder bij L.M. naar de stand van zaken. Ze krijgt geen bevredigend antwoord van L. M.  Ze vraagt daarna of L. M. het proces verbaal van de zitting wil opvragen waarin het rapport van de deskundige besproken is en de rechter L. M heeft aangegeven de opmerkingen van de deskundige serieus te nemen.  L.M. zegt toe maar doet wederom niets. Na een tweede verzoek geeft L. M. aan dat zij een brief zal sturen aan de rechtbank met het verzoek voor een proces verbaal. De moeder blijft wachten en krijgt vlak na haar derde(!!) verzoek te horen dat de rechtbank alleen een proces verbaal verstrekt als er een hoger beroep wordt aangetekend. En u raadt het al: door het wachten van L. M. is de beroepstermijn verstreken en kan er geen hoger beroep meer ingediend worden en dus ook geen proces verbaal opgevraagd worden. Hiermee de burgerrechten van een belanghebbende negerend.

Moeder laat het er niet bij zitten en belt de rechtbank. De rechtbank ontkent een brief te hebben gehad van L. M. of de GI met het verzoek tot een proces verbaal.  Daarna handelt deze moeder heel voorzichtig en uiterst slim: ze vraagt aan L. M de brief op. Na enig aandringen krijgt de moeder de brief toegezonden. Het blijkt een word document te zijn.  Een document zonder briefhoofd en ondertekening. Moeder  wordt in de waan gelaten dat de brief verstuurd is. Maar het bleef aan haar knagen. Ze voelde dat er iets niet klopte. Echter toen ik het document onder ogen kreeg en ging bestuderen viel mij iets op: de datum van de brief week totaal af van het moment dat het document voor het eerst was aangemaakt. Het document is voor het eerst aangemaakt op 6 juli 2016 terwijl de brief is gedateerd op 17 mei 2016 ongeveer 6 weken daarvoor. Bij verdere bestudering van de documenteigenschappen bleek dat de brief zelfs nog nooit was afgedrukt. Het document was 9 minuten voordat hij naar moeder werd gemaild  pas gemaakt. Een mooier staaltje van misleiding kun je niet bedenken en een duidelijk signaal dat de brief inderdaad niet verzonden was aan de rechtbank zoals door de rechtbank al eerder bevestigd. CSI was hierbij niet nodig. We kunnen dan ook niet anders vaststellen dat L. M. in dit geval gelogen heeft tegen de moeder. In een eerder blog heb ik al aangegeven dat de gebiedsmanager G.S. van JBB zegt dat hij problemen heeft als zijn mensen liegen! Nou hier heb je er een. Met de vraag wat gaan jullie aan de liegende  L. M. binnen JBB doen?

(NB Ik heb nadat het dossier bij mij binnen kwam navraag gedaan bij de betreffende rechtbank over het beleid rondom het verstrekken van een  proces verbaal. Dit leverde het navolgende antwoord op: “Indien er een Hoger Beroep wordt ingediend wordt er automatisch een proces verbaal uitgewerkt. Indien één van de direct betrokkenen zwaarwegende reden heeft om een proces verbaal te krijgen dan kan hiertoe een verzoek ingediend worden. Het is dan aan de rechtbank te bepalen of het proces verbaal beschikbaar wordt gesteld.” Het antwoord van L.M. aan moeder is dus gedeeltelijk bezijden de waarheid en heeft er alle schijn van dat L.M. bewust wilde voorkomen dat het proces verbaal beschikbaar zou worden gesteld. De rechtbank heeft in dit geval het proces verbaal alsnog beschikbaar gesteld.. L.M. had het proces verbaal dus ook gewoon kunnen verkrijgen.)

Klacht- en tuchtprocedure

De kinderen zijn desondanks, en tegen het advies van de BC, toch definitief bij vader geplaatst op verzoek van JBB. Vader heeft elke poging tot hulpverlening gesaboteerd, onder toezicht van JBB. En na 2 jaar is de OTS beëindigd zonder resultaat. Moeder staat zonder kinderen. Er is niet eens een eindgesprek geweest met moeder. Moeder houdt zich sterk en is bezig met het verwerken van het (inmiddels opgelopen) trauma. Er wordt (ook) in dit dossier door  een externe partij onderzoek gedaan. Er loopt nog een klachtenprocedure bij de GI en de voorbereidingen voor een tuchtprocedure worden opgestart. Ook in die procedures kan moeder op mijn steun blijven rekenen..  Daarnaast zou een excuses van L.M. en het door haar aanvaarden van elke aansprakelijkheid voor de nadelige  gevolgen  die moeder ondervindt  nu zij onterecht heeft vastgelegd dat moeder aan borderline zou lijden, een stapje kunnen zijn om moeder te helpen bij het verwerken van haar trauma.

De pion in het schaakspel

En L.M.? Moeder heeft klachten geuit over het vele falen en het vertrouwen in L.M. opgezegd. Na heftig tegenspartelen is door de gebiedsmanager M.S. uiteindelijk, na 3 maanden strijd, L.M. van het dossier afgehaald. Hiermee lijkt L.M. de pion geworden die geofferd is in het schaakspel tussen moeder en de GI omdat haar falen en partijdigheid niet meer ontkend konden worden. Partijdigheid die door de BC in haar rapport feilloos is bloot gelegd.

Onder de nieuwe JZW-er veranderde er niets in de bejegening van moeder. Kennelijk moest de geofferde pion L.M. nog gewroken worden waarbij de belangen van de kinderen volledig uit het oog verloren zijn gegaan bij de GI.

Het is triest dat iemand als L. M. op een dergelijke functie kan blijven zitten. Ze is in meerdere dossiers betrapt op liegen en verdraaien van feiten. Er zijn zelfs externe deskundigen die niet meer met haar willen communiceren. Er loopt zelfs een aangifte tegen haar wegens smaad. Desondanks laat René Meuwissen, bestuurder van JBB haar zitten. Het lijkt erop dat zij de vuile klusjes van hem en zijn regio directeur Miranda Dekkers moet opknappen. Anders kan je het niet bedenken. Ze is inmiddels in een dusdanige positie geduwd dat ze aangeschoten wild is en alleen nog maar fouten kan maken. Ze is de lokeend die de aandacht moet afleiden van het falen van het grote opperhoofd. En als ze uiteindelijk de onvergefelijke fout maakt dan wordt ze keihard afgeserveerd door Meuwissen en laten ze haar waarschijnlijk keihard vallen.  Het is haar lot: het lot van een pion in het schaakspel van Meuwissen. Hij vergeet daarbij 1 ding: met kinderlevens speel je niet!

Als Meuwissen een echte manager is die een goed hart heeft voor de kinderen en zijn medewerkers dan beseft hij dat hij L.M. niet kan laten lopen als aangeschoten wild. Niet in het belang van L.M zelf maar ook niet in het belang van die kinderen. Ze staat door alle procedures tegen haar onder een dusdanige druk  dat ze niet meer vrij kan handelen in die dossiers. Ieder weldenkende manager kan dat beseffen en zou zijn medewerker in bescherming nemen en haar van haar werkzaamheden vrijstellen. Maar niet René Meuwissen. Dit toont aan dat het bij Meuwissen niet meer gaat om de kinderen maar het overeind houden van zijn imperium. Maar dat imperium staat op wankelen. Er zijn talloze dossiers binnen JBB waar veel mis is. Cliënten verenigen zich en zullen niets meer zomaar aannemen en gaan hun rechten opeisen.  In dat opzicht weet ik dat het voor Meuwissen en heel JBB een hele hete herfst  gaat worden.

Advertenties

Hoe JBB appels en peren met elkaar vergelijkt.

In de afgelopen vakantie heb ik eens de tijd genomen om het jaarverslag van Jeugdbescherming Brabant te lezen. Ik ben uiteraard benieuwd wat de bestuurder van deze GI, René Meuwissen, allemaal aan verantwoording wenst af te leggen aan de Raad van Toezicht, opdrachtgevers zoals gemeenten en rechtspraak, Inspectie G&J, ketenpartners en de betrokken ouders.

Een jaarverslag moet een waarheidsgetrouw beeld geven van de ontwikkeling binnen de organisatie. In hoeverre de waarheid gesproken wordt kan ik niet beoordelen omdat ik de interne cijfers niet heb gezien. Wat ik wel kan beoordelen is of wat er in verslag staat realistisch is en of deze binnen het document elkaar niet tegenspreken. Ook kan ik zaken afzetten tegen oudere jaarverslagen en de vele dossiers die ik gezien heb en waar ik een adviserende rol speel als vertrouwenspersoon.

Je kan dus zeggen dat er nogal wat schort aan de houding en bejegening van de jeugdzorgwerkers en de GI, er terecht vragen zijn over de professionaliteit van de jeugdzorgwerkers en de GI maar bovenal dat het met de belangen en rechten van de cliënten slecht gesteld is bij Jeugdbescherming Brabant en de medewerkers.

Mijn grootste aandachtspunt ging enerzijds naar het financiële verslag maar ook naar het onderdeel over de klachten bij deze GI.

Grote hoeveelheid geld

Ten aanzien van het financiële verslag blijf ik mij verbazen over de grote hoeveel geld die omgaat in een dergelijke instelling. Met een budget (lees subsidies) van € 33 miljoen die niet direct naar zorg gaat, want alle andere kosten voor de inhuur van zorg wordt apart en rechtstreeks door de gemeenten betaald aan de zorgverleners en zit niet in de subsidie aan de GI,  is dat wat mij betreft veel weggegooid geld. Feitelijk moet je stellen dat een GI niet meer en minder is dan een bemiddelingsbureau tussen vraag voor zorg en aanbod voor zorg. Een rol die de gemeenten perfect zelf lokaal kunnen regelen en waar binnen de diverse gemeentehuizen al mensen aanwezig zijn om deze rol op te pakken.

Van die € 33 miljoen gaat 83% naar personeelskosten. Met 422 medewerkers betekend dit een personeelskost van ruim € 65.000 per medewerker. Dit is uiteraard niet het salaris van de medewerkers, maar het zijn de salarissen, af te dragen sociale lasten, pensioenvoorzieningen, reiskosten etc.  Dan mag er op zijn minst ook wel resultaat verwacht worden. Daarnaast is ook niet terug te lezen wat de bezoldigingen van de bestuurders zijn. Elke instelling die het grootste gedeelte van zijn inkomsten verwerft uit subsidies is gehouden aan de Wet Normering Topinkomens. Het salaris van de bestuurders moet daarin verantwoord worden, het is helaas niet te zien. Op basis van het financiële jaarverslag van 2016 is te zien dat de bestuurder ongeveer 2x het bedrag verdient wat er aan een medewerker wordt uitgegeven.

Structurele oplossing

Een budget van 33 miljoen die grotendeels opgaat aan een GI die regionaal of provinciaal werk doet, en daarmee eigenlijk tegen de decentralisatie van de zorg ingaat, is serious business. Want was het niet de bedoeling van de regering in 2015 dat met de decentralisatie de zorg lokaal geregeld moest worden omdat het dan goedkoper, efficiënter, sneller en beter geregeld kon worden? Om vervolgens als overheid te bepalen dat de zorg via een gecertificeerde instelling moet lopen. Alleen al de 15 regionaal of landelijk opererende  GI’s hebben al een gezamenlijk budget van ca. € 500 miljoen.  Hier kan dus een structurele besparing worden gehaald als de decentralisatie verder wordt vorm gegeven. Een structurele besparing die iets kan doen aan de structurele gaten van Rutte die in de begroting komen in de komende weken op weg naar Prinsjesdag.

De appels en peren van de klachten

Maar nog opvallender vind ik het gegoochel met de cijfers rondom het aantal klachten. Volgens Meuwissen is het aantal klachten in 2017 afgenomen. Maar de goede lezer en diegene die het jaarverslag van 2016 erbij pakt ziet direct dat hij appels en peren vergelijkt met elkaar. Voor ik in ga op de cijfers zal ik dat even uitleggen:  tot 1 januari 2017 behoorden de  Veilig Thuis locaties Noord-Oost Brabant en Zuid-Oost Brabant tot de zelfde stichting als waar ook JBB in zat. In het jaarverslag 2016 zijn de cijfers van deze 3 geconsolideerd tot 1 cijfer.

Wie het jaarverslag 2017 leest ziet in de grafieken op alle vlakken een daling in het aantal klachten. In de kleine lettertjes staat dan dat de klachten van Veilig Thuis niet meer zijn meegenomen in de cijfers van 2017. Maar ze zijn niet verwijderd uit de cijfers van 2015 en 2016. Het aantal klachten in 2016 was al  hoger dan in 2015. Door nu de klachten van 2017, zonder VT, te vergelijken met die van 2016, inclusief VT, kun je eenvoudig wijzen op goede resultaten maar die worden nergens onderbouwd. Gezien de ontwikkelingen is de claim dat het aantal klachten afneemt dan ook niet hard te maken op basis van deze cijfers. Ergo uit betrouwbare bronnen, weet ik dat het aantal klachten toeneemt en zelfs de klachtencommissie spreekt over werkdruk.

56% van de klachten gegrond

Daarnaast worden ingetrokken klachten en  geslaagde bemiddelingspogingen opgenomen in de cijfers om aan te geven hoe positief het gesteld is met de klachtontwikkeling. Maar als we de klachten gaan bekijken die daadwerkelijk door de klachtencommissie worden behandeld dan zien we dat 56% van de klachten gegrond verklaard worden. Dat is een enorm hoog percentage. De ervaring van cliënten is dat er vervolgens een excuus brief wordt verzonden maar dat er niets gebeurd aan de afhandeling van de klacht. Met andere woorden: bedankt dat u ons op onze fout hebt gewezen, we zullen het nooit meer doen en we bieden ons excuus aan. De gevolgen en schade worden niet hersteld. We drinken een glas, doen een plas en alles blijft zoals het was.

Klachten worden volgens het verslag ondergebracht in verschillende categorieën:

  1. houding en bejegening (bv. luisteren naar de cliënt, fatsoenlijke bejegening, onpartijdigheid)
  2. professionaliteit (bv. de-escalatie, coulante opstelling)
  3. gebruik van bevoegdheden (bv. evenredigheid, integriteit)
  4. omgaan met de belangen en rechten van de cliënt (bv. respecteren grondrechten, bijzondere zorg, fair play, samenwerking, betrouwbaarheid)
  5. informatieverstrekking
  6. besluitvorming (bv. transparant, goede voorbereiding, redelijkheid, goede motivering, maatwerk)
  7. voortvarendheid
  8. administratieve zorgvuldigheid
  9. overig

92% van de gegronde klachten gaat over de punten 1,2 en 4!

Elke klacht kan meerdere onderdelen bevatten. Maar als we de cijfers bekijken dan zijn er 82 klachten gegrond verklaard op de bovenstaande punten 1, 2 en 4. Dat is 92%(!!!!) van het aantal gegrond verklaarde klachten. Je kan dus zeggen dat er nogal wat schort aan de houding en bejegening van de jeugdzorgwerkers en de GI, er terecht vragen zijn over de professionaliteit van de jeugdzorgwerkers en de GI maar bovenal dat het met de belangen en rechten van de cliënten slecht gesteld is bij Jeugdbescherming Brabant en de medewerkers. Ik had graag de vergelijking gemaakt met het jaar ervoor, maar u begrijpt het al: in die cijfers zitten de klachten van Veilig Thuis nog verwerkt.

Naar aanleiding van de klachten komt de klachtencommissie ook met aanbevelingen. Die aanbevelingen zijn ook opgenomen in het jaarverslag. De bestuurder stelt dat er op basis van die aanbevelingen maatregelen zijn genomen. Maar hoe die genomen zijn en hoe die geborgd zijn in zijn organisatie wordt niet duidelijk gemaakt. Opvallend is dat een van de maatregelen gaat over het correct volgen van de procedure “inzage dossier”. Het is dan zorgelijk om vast te stellen dat de bestuurder maatregelen zegt te nemen die hij vervolgens enkele weken nadien, het jaar was nog geen 4 weken oud, zelfstandig negeert om in een dossier het inzage recht “on hold” te zetten zonder gegronde redenen. Dus in hoeverre we de maatregelen die genomen zijn serieus moeten nemen, net als de cijfers in zijn jaarverslag, is de grote vraag.

Het is onbegrijpelijk dat een Raad van Toezicht van de GI, waar toch niet de minsten inzitten,  deze simpele dingen zelf niet zien en zich kennelijk laat ringeloren door hun eigen bestuurder. Het is daarnaast triest dat met deze cijfers gepoogd wordt om ketenpartners en gemeenten om de tuin te leiden over hoe goed deze GI functioneert.

Hier kan dus een structurele besparing worden gehaald als de decentralisatie verder wordt vorm gegeven. Een structurele besparing die iets kan doen aan de structurele gaten van Rutte die in de begroting komen in de komende weken op weg naar Prinsjesdag.

“Het is niet vanzelfsprekend dat JBB beschikkingen uitvoert” aldus gebiedsmanager S

Als, helaas gedwongen, ervaringsdeskundige in de jeugdzorg, en dan met name Jeugdbescherming Brabant heb ik in de afgelopen anderhalf jaar vele schrijnende gevallen meegemaakt. Veel dossiers gelezen, betrokkenen gesproken en ben diverse keren ingeschakeld als vertrouwenspersoon.

Onlangs was ik als vertouwenspersoon betrokken bij een gesprek tussen een cliënte van JBB en de jeugdzorgwerker mevr. A en gebiedsmanager de heer S.

De rechter had in deze zaak bij beschikking uitgesproken dat de GI een ervaren jeugdzorgwerker diende aan te wijzen die ervaring had met OVS. Bij de kennismaking met de JZW-er bleek deze pas net een jaar ingeschreven te staan bij het SKJ. In het gesprek gaf zij ervaringen op die niet overeenkwamen met haar eigen social media. En gaf tevens aan moeder te zijn wat achteraf ook niet klopte. Wel erkende ze geen ervaring te hebben met OVS, iets wat overduidelijk geëist was door de rechter.

De cliënt heeft een klacht ingediend tegen de JZW-er omdat deze gelogen had over haar ervaring en het feit dat de GI zich niet gehouden heeft aan de uitspraak van de rechter. Zoals te doen gebruikelijk volgt er dan eerst een bemiddelingsgesprek.

Schokkend

Wat er tijdens het gesprek vervolgens gesteld wordt is schokkend te ervaren. Allereerst stelt gebiedsmanager S dat ervaring eigenlijk een relatief begrip is en dat een JZW-er werkt in een team waar zij te rade kan gaan. Dus in dat kader heeft zij altijd voldoende ervaring. Vervolgens stelt hij ook dat hij geen mensen in zijn team heeft die ervaring hebben met OVS. Dus aan die voorwaarde kon hij simpelweg niet voldoen. Wat er niet is is er niet.

Dit was een interessant punt. Hoe kun je een beschikking opvolgen als je het door de rechter opgelegde, ervaring met OVS, niet kunt bieden? Het antwoord was schokkend en citeer hier letterlijk de uitspraak van gebiedsmanager S: “het is niet vanzelfsprekend dat wij de beschikkingen opvolgen” om hier later aan toe te voegen “uitspraken van rechters in het familierecht zijn slechts voorkeursuitspraken”. Met die laatste opmerking wilde hij uiteraard proberen zijn eerdere uitspraak te rechtvaardigen dat het niet vanzelfsprekend is dat de GI vonnissen opvolgt.

Niet de eerste keer

Het is niet de eerste keer dat medewerkers van JBB stellen dat zij vonnissen niet hoeven uit te voeren. Ook andere gebiedsmanagers en jeugdzorgwerkers hebben deze uitlatingen al diverse keren gedaan tegen clienten en vertrouwenspersonen.
Maar een uitspraak is een uitspraak. En S moest erkennen dat hij in Nederland woont en werkt, JBB een Nederlandse entiteit is en daarmee gehouden is aan de Nederlandse wetgeving. En dat in de rechtsstaat Nederland de rechter bepaalt.

Wat de heer S en die andere medewerkers kennelijk niet weten is dat hun eigen bestuurder, Rene Meuwissen, in oktober 2017, in het bijzijn van regio directeur Miranda Dekkers, heeft gesteld dat JBB vonnissen van de rechtbank natuurlijk en onverkort moet uitvoeren. De vraag is dan ook waar deze interne “interpretatie” verschillen vandaan komen. Het lijkt er steeds meer op dat deze bestuurder en zijn regio directeuren de medewerkers niet onder controle hebben danwel dat zij intern een andere boodschap en beleidslijn verkondigen dan zij naar buiten toe doen. En hiermee een staat in een staat creëren.

Terugkrabbelen

Over de ontbrekende ervaring met OVS krabbelde S in het gesprek, wederom na doorvragen, ook terug: er waren wel degelijk mensen die getraind zijn en ervaring hebben met OVS, om dat later weer te wijzigen dat er mensen in dienst zijn die dusdanige ervaring hebben dat zij binnen de interne opleidingsmodules van JBB de jzw-ers kunnen en mogen trainen op dit vlak. Waar die mensen die kennis vandaan hebben en of ze daarin geaccrediteerd zijn kon hij niet zeggen. Of die interne opleiding geaccrediteerd is en wat er dan zoal getraind wordt over OVS kon hij ook niet zeggen. Ten aanzien van het algemene beleid van JBB als er sprake is van OVS wilde hij geen antwoord geven terwijl dit voor cliënte van wezenlijk belang is in wat zij kan verwachten van de GI. Vervolgens hebben we ook gevraagd wat JBB gaat doen met de adviezen van de commissie Rouvoet. Ook hier wilde S geen direct antwoord geven. Hij heeft aangegeven binnen 14 dagen schriftelijk te reageren of de GI deze vragen gaat beantwoorden.

Hulpverlening ondergeschikt aan bedrijfsvoering

De cliënte merkte terecht op dat zij mag verwachten dat de kinderen het beste krijgen wat er is. En dat als er iemand moet komen met ervaring in OVS dat ook verwacht mag worden. De heer S. erkende dat ook. Dat lokte ons uit de vraag te stellen: “maar als u die niet voorhanden heeft waarom gaat u dan niet terug naar de rechter en stelt u vast dat u de opdracht niet kan uitvoeren of waarom huurt u die ervaring niet in?” Als voorbeeld gaven we dat iemand op de afdeling cardiologie die geopereerd moet worden en de cardioloog is niet voor handen dan wordt die toch ook niet door een KNO arts geopereerd? Ook dit antwoord was ontluisterend: “Op vragen over onze bedrijfsvoering ga ik niet in.” Hiermee direct duidelijk makend dat de zorg ondergeschikt is aan de bedrijfsvoering van JBB. Het feit dat de belangen van de kinderen en hun hulpverlening ondergeschikt zijn aan de economische bedrijfsvoering is hiermee wat mij betreft onverkort aangetoond.

Bij geen vertrouwen moet JZW-er vervangen worden

Positief aan het gesprek was dat bij JBB er kennelijk een nieuw beleid is ingesteld. Als er geen vertrouwen is tussen de JZW-er en de betrokken belanghebbende dat heeft door gaan met elkaar geen zin. Om die reden had S. besloten de JZW-er te vervangen om daar wel aan toe te voegen dat dat niet betekende en dat hij niet kon garanderen dat hij de eisen in de beschikking zou opvolgen. Dit voelde als pure intimidatie in het gesprek overigens: wij vervangen de JZW-er en dan nu niet meer verder zeuren, de klacht van tafel en zeker geen klachtzitting.

Maar voor alle ouders te maken met JBB: heeft u geen vertrouwen in uw JZW-er: massaal in de pen naar de gebiedsmanagers en verzoek om een nieuwe JZW-er. En bij weigering klacht doorzetten naar de klachtencommissie.

Geen respect voor vertrouwenspersoon

Tot slot nog een mooi staaltje intimidatie: na een vraag van mij om een nadere toelichting op een antwoord was de reactie van S: “ik ben met mevrouw in gesprek” hiermee pogend mij de mond te snoeren. De knappe reactie van de cliënte: “nee u bent met ons beiden in gesprek!” Nadien werden enkele keren de vragen die ik namens cliënte stelde volledig genegeerd.
En de JZW-er A? Waar blijft die in het verhaal? Ze wordt vervangen maar in het gesprek kregen cliënte en ik met haar te doen. Zij was door haar eigen gebiedsmanager in een onmogelijke positie gemanoeuvreerd, heeft gepoogd haar positie te redden en dingen gezegd die niet juist zijn. Zij heeft dat ook zelf direct vastgesteld en haar excuses aangeboden. Daarvoor chapeau. De gebiedsmanager S voegde hier nog aan toe dat het absoluut onbestaanbaar is als zijn mensen gaan liegen want “als zij gaan liegen heb ik een groot probleem.” Ik kon een schamper en cynisch lachje niet meer onderdrukken: de club die bekend staat om de categorische leugens zegt dat ze niet mogen liegen!
De carrière van A heeft binnen een jaar een forse deuk opgelopen en ze is een illusie armer. Zonde want van enthousiaste jongelingen moeten we het gaan hebben. Jongelingen die wel openstaan voor maatschappelijke ontwikkelingen waarvan OVS een uitvloeisel is. En dat allemaal te danken aan een gebiedsmanager die het niet vanzelfsprekend vindt dat vonnissen worden uitgevoerd! En die wat mij betreft zichzelf hiermee een brevet van onvermogen heeft opgespeld en eigenlijk zowel intern als extern zichzelf heeft gediskwalificeerd als gesprekspartner.
We kijken uit naar de schriftelijke beantwoording van S en eigenlijk ook een reactie Rene Meuwissen.